SAR Advocaten

Letselschade: Wanneer heb je écht recht op een vergoeding?

Letselschade: Wanneer heb je écht recht op een vergoeding? Letselschade uitgelegdLetselschade is de schade die je lijdt als gevolg van lichamelijk of psychisch letsel, veroorzaakt door iemand anders. Het kan gaan om medische kosten, verlies van inkomen, extra hulp thuis of zelfs blijvende beperkingen. Ook emotionele schade – pijn, verdriet of verlies van levensvreugde – kan worden vergoed in de vorm van smartengeld. Toch weten veel slachtoffers niet dat zij recht hebben op compensatie. Vaak wordt alleen gekeken naar directe schade, terwijl de gevolgen op de langere termijn minstens zo groot kunnen zijn. Wanneer heb je recht op vergoeding?Je hebt recht op een letselschadevergoeding als iemand anders aansprakelijk is voor het ongeval of incident. Dat kan bijvoorbeeld zijn: een automobilist bij een verkeersongeval; een werkgever bij een bedrijfsongeval; een producent bij een gebrekkig product; of een andere partij bij geweld of nalatigheid. De kernvraag is altijd: is er sprake van aansprakelijkheid en kun je dit aantonen? Een letselschadeadvocaat helpt bij het verzamelen van bewijs en het vaststellen van alle schadeposten. Schadeposten die vaak vergeten wordenVeel slachtoffers denken alleen aan ziekenhuis- of reiskosten, maar letselschade kan veel verder gaan. Denk aan: verlies van inkomen of carrièrekansen; kosten voor huishoudelijke hulp of mantelzorg; aanpassingen in huis of vervoer; toekomstige medische behandelingen of therapieën; immateriële schade (smartengeld). Waarom juridische hulp belangrijk isEen letselschadezaak kan ingewikkeld zijn. Verzekeraars proberen vaak de schade te beperken of claimen dat bepaalde kosten niet vergoed hoeven te worden. Een gespecialiseerde letselschadeadvocaat kent de regels, onderhandelt namens jou en zorgt dat je krijgt waar je recht op hebt – niet minder. Hoe verloopt een letselschadezaak? Inventarisatie van het letsel en de schade. Aansprakelijkheid vaststellen van de wederpartij. Schade berekenen (direct en toekomstig). Onderhandelen met de verzekeraar. Schikking of procedure, afhankelijk van het resultaat. De meeste zaken worden in der minne geregeld, dus zonder tussenkomst van de rechter. Maar als dat niet lukt, zal een advocaat niet aarzelen om te procederen.

Letsel bij onze kinderen

Letsel bij onze kinderen Vroeger toen je klein was werd de pijn van je geschaafde knie of een schrammetje op je vinger weggenomen door een kus van je moeder. Dit was alleen mogelijk bij een klein ongeluk, zoals een val. Kinderen kunnen echter ook betrokken zijn bij een groter ongeval, waardoor ze ernstig letsel oplopen. Kinderen zijn tot een bepaalde leeftijd afhankelijk van hen ouders. Het letsel van de kinderen zorgt daarom al snel voor knelpunten bij hen ouders en/of verzorgers.[1] De berekening van schade voor volwassenen is al lastig genoeg, maar voor kinderen is dit nog een stuk lastiger.[2] De schade van een kind kan worden onderverdeeld in immateriële en materiele schade. De immateriële schade kan bestaan uit: aanpassingen, voorzieningen, verzorging, begeleiding, verpleging en verlies van of verminderd arbeidsvermogen. De kosten voor aanpassingen, voorzieningen en de bijkomende kosten kunnen concreet worden begroot door een deskundige. De schade voor verzorging wordt begroot op basis van het aantal uren en tarief. Welk tarief wordt gebruikt, is afhankelijk van de soort zorg. Het verlies van of vermindering van het arbeidsvermogen is een lastig concept. Bij kinderen is het namelijk ingewikkeld om het verdienvermogen te bepalen. Een van de knelpunten is de studievertraging. Als er sprake is van een langere studievertraging, zal dit ook op een andere manier invulling kunnen geven aan het verdienvermogen van het kind.[3] De berekening voor het verlies van of vermindering van het arbeidsvermogen mist eigenlijk een adequaat referentiekader.[4] [1] J.G. Vos, ‘Een goed begin is het halve werk’, Afwikkeling Personenschade 2019/3. [2] M. Peters, ‘Handreikingen voor de afwikkeling van kindschades’, Letsel & Schade 2023. [3] M. Neeser, ‘Schadevaststelling bij kindschade’, Letsel & Schade 2019. [4] M. Peters, ‘Handreikingen voor de afwikkeling van kindschades’, Letsel & Schade 2023.

Is een ongeval altijd nadelig of kan het ook iets goeds opleveren?

Is een ongeval altijd nadelig of kan het ook iets goeds opleveren? Er bestaan gevallen waarin een slachtoffer naast schade ook voordelen kan ondervinden als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Wanneer de schadeveroorzaker onrechtmatig handelt richting een benadeelde, is de schadeveroorzaker verplicht de schade te vergoeden. Het doel hiervan is om de benadeelde zoveel mogelijk in de financiële toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Bij het vaststellen van de omvang van de schade heeft de rechter veel vrijheid. Zo mag de rechter het genoten voordeel toerekenen aan de benadeelde op grond van art. 6:100 BW.[1] In art. 6:100 BW wordt bepaald dat een voordeel in mindering kan worden gebracht op de schade die de schuldenaar moet vergoeden, als het voordeel is veroorzaakt door de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voordeel is een verbetering van de vermogensrechtelijke positie.[2] De wet begrenst de vergoeding, zodat de benadeelde niet meer vergoed krijgt dan de schade die is ontstaan.[3] Voor de voordeelstoerekening kennen we een het TenneT/ABB-arrest. Dit arrest benoemt twee vereisten waaraan moet worden voldaan bij een beroep op de voordeelstoerekening, namelijk het conditio sine qua non-verband en een toerekeningsverband.[4] Enerzijds vereist het conditio sine qua non-verband dat er een verband bestaat tussen de fout van de schuldenaar en het voordeel van de benadeelde. Anderzijds wordt de voordeelstoerekening als redelijk beschouwd “als het voordeel in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat dit voordeel mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de benadeelde kan worden toegerekend”.[5]     [1] J.B.R. Regouw, ‘Schade begroten met plussen en minnen’, MvM 2018, p. 61. [2] P.J. Tanja, ‘Roermondse gastronomie en de dubbele causaliteitsmaatstaf van voordeelstoerekening’, Bb 2018, p. 249 [3] Lindenbergh, par. A2. [4] Engelen en Kierse 2017, p. 40. [5] Engelen en Kierse 2017, p. 34.

Whiplash: de strijd tegen ‘onzichtbare’ pijn

Whiplash: de strijd tegen ‘onzichtbare’ pijn Slachtoffers van een verkeersongeval hebben, naast duidelijk fysiek letsel, ook – vaak – last van klachten als nekpijn, stijfheid, misselijkheid, duizeligheid en evenwichtsproblemen. Nekpijn en stijfheid kan ontstaan door een zweepslagbeweging die de nek maakt door een achterop aanrijding. Dit beeld staat bekend als de term whiplash.[1] Whiplash kan worden geschaard onder het niet-medisch objectiveerbaar letsel. In beginsel is het moeilijk vast te stellen dat dit letsel is ontstaan door het ongeval. Echter, het ontbreken van medisch objectiveerbaar letsel, staat het aannemen van de klachten niet in de weg. De aansprakelijkheid is in principe geleverd, als het slachtoffer voor het ongeval de desbetreffende gezondheidsklachten niet had.[2] Whiplashzaken worden over het algemeen als belastend ervaren. Dit schaadt vaak de gezondheid van slachtoffers, alsmede het herstel.[3] Daarbij komt kijken dat meerdere factoren bepalend zijn voor de ontwikkeling van de whiplashklachten, denk aan sekse, leeftijd en opleidingsniveau. Ook de ongevalsfactoren zijn bepalend: had het slachtoffer een gordel om? Hebben we te maken met een kop-staartbotsing?[4] De wetenschap geeft ons steeds beter inzichten hoe het proces van de behandeling van een whiplashzaak beter kan worden afgehandeld. Daarvoor is het belangrijk dat er persoonlijk contact plaatsvindt mét de benadeelde(n). Ook de procedurele rechtvaardigheid en het voorkomen van ervaren onrecht, dragen bij aan het bevorderen van herstel van whiplashslachtoffers.[5]     [1] I.M. Becx, N.A. Elbers, A.J. Akkermans, J. Buitenbuis en A.J. Van, ‘Voorspellers van chronische aspecifieke klachten na een verkeersongeluk’, TVP 2023, p. 45. [2] J. Roth, ‘Schadelijk achterhoedegevecht over causaal verband bij whiplash’, Letsel & Schade, p. 9. [3] Jasper Keizer, ‘Evidence-based schade behandelen in whiplashzaken’, Letsel & Schade 2024, p. 3. [4] I.M. Becx, N.A. Elbers, A.J. Akkermans, J. Buitenbuis en A.J. Van, ‘Voorspellers van chronische aspecifieke klachten na een verkeersongeluk’, TVP 2023, p. 46. [5] Jasper Keizer, ‘Evidence-based schade behandelen in whiplashzaken’, Letsel & Schade 2024, p. 3.

Een verkenning naar de aansprakelijkheid voor vrijwilligers

Een verkenning naar de aansprakelijkheid voor vrijwilligers Vrijwilligerswerk is een essentieel onderdeel van de samenleving. Echter, zoals elk ander werk, komt het vrijwilligerswerk niet zonder risico’s. Het ongeluk van een vrijwillig uit 2021 is een voorbeeld van zo’n geval. De vrijwilliger is uit een kersboom gevallen, nadat hij een trektouw wilde bevestigen. Hij liep hierdoor ernstig blijvend letsel op. Hij stelde de stichting vervolgens aansprakelijk voor de schade en baseerde zijn vordering op de grondslagen van een onrechtmatige daad en een overeenkomst van opdracht.[1] Dit roept vragen op met betrekking tot de aansprakelijkheid en de bescherming van vrijwilligers. De zaak van de vrijwilliger illustreert de complexiteit van de aansprakelijkheidskwestie. De vrijwilliger heeft namelijk schade opgelopen, maar is niet in loondienst, waardoor de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 lid 1 BW niet van toepassing is. Art. 7:658 lid 1 BW vormt vandaag de dag nog altijd de basis. Er zijn drie belangrijke pijlers, te weten ‘in de uitoefening van het werk, de zorgplicht en opzet of bewuste roekeloosheid’. Het is aan de werknemer om aan te tonen dat de schade is geleden in de uitoefening van diens werkzaamheden. Er moet verband bestaan tussen de schade en de werkzaamheden.[2] Het is aan de werkgever om aan te tonen dat hij aan de zorgplicht heeft voldaan. “Voor bewuste roekeloosheid is vereist dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaande aan de schade toebrengende gebeurtenis daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag”.[3] Eerder heeft de Hoge Raad in een uitspraak erkent dat vrijwilligerswerk “onder bepaalde omstandigheden” onder de toepassing van art. 7:658 lid 4 BW kan vallen. De zeggenschap van de organisaties of de werkgever en de invloed op de werkomstandigheden zijn hierbij bepalende factoren. Als de organisatie of de werkgever geen invloed heeft, kan dit ervoor zorgen dat de claim op de werkgeversaansprakelijkheid faalt. Art. 7:658 lid 4 BW vormt dus een afgeleide vorm van de werkgeversaansprakelijkheid voor personen die geen werknemers zijn, maar zich wel in een vergelijkbare positie bevinden. Het kan voor die personen – vrijwilligers – een basis bieden voor de claims met betrekking tot geleden schade.[4] [1] T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Aansprakelijkheid jegens vrijwilligers’, WPNR 2022, p. 148. [2] Mr. dr. A. Kolder, ‘Over de grenzen van werkgeversaansprakelijkheid’, AV&S 2023/14, p. 70. [3] Mr. dr. A. Kolder, ‘Over de grenzen van werkgeversaansprakelijkheid’, AV&S 2023/14, p. 75; HR 20 september 1996, NJ 1997/198 (Pollemans/Hoondert) [4] T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Aansprakelijkheid jegens vrijwilligers’, WPNR 2022, p.150.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Aansprakelijkheids verzekering: erkend is erkend, of toch niet?

Aansprakelijkheids verzekering: erkend is erkend, of toch niet? Stel dat er een ongeluk heeft plaatsgevonden op de snelweg, waarbij meerdere auto’s betrokken zijn geraakt. Er zijn een aantal inzittenden die gewond zijn geraakt en graag een compensatie willen ontvangen voor het leed dat gepaard gaat met het letsel. Hiervoor dient de aansprakelijkheidsverzekering van de wederpartij voor te worden benaderd. Dit zal de advocaat doen. Uiteindelijk hoop je dat de aansprakelijkheidsverzekering van de wederpartij schuld erkend, zodat je een vergoeding kan ontvangen.[1] Op het moment dat de aansprakelijkheidsverzekeraar schuld heeft erkend, is zij niet vrij om terug te komen op erkenning van schuld jegens de derde(n). Een erkenning is een eenzijdig gerichte handeling die – in dit geval – vanuit de kant van de aansprakelijkheidsverzekeraar komt. In concreto: erkend is erkend! Toch geldt er een uitzondering op dit adagium. Indien de erkenning is verleend onder invloed van bedrog, is de verzekeraar niet gebonden aan de erkenning.[2] Bedrog is een wilsgebrek die de rechtshandeling vernietigbaar maakt. Het is een wilsvorming die tot stand komt onder invloed van een informatiegebrek.[3] In dat geval is het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de verzekeraar aan zijn erkenning te houden. Maar in principe is het in beginsel niet mogelijk voor de aansprakelijkheidsverzekeraar om terug te komen op de erkenning.   [1] Rb. Rotterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:992. [2] Rb. Rotterdam 14 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:992. [3] D.E. Burgers, ‘Over dwaling, bedrog, een onjuiste voorstelling van zaken en de kern van de overeenkomst’, Bb 2020/50, p. 260.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Smartengeld: omvang en bedragen

Smartengeld: omvang en bedragen Het smartengeld is een vergoeding voor immateriële schade, daarbij kan men denken aan lichamelijk of psychisch letsel of het missen van levensvreugde.[1] Het smartengeld wordt omschreven als een schadevergoeding met twee functies, te weten: compensatie en genoegdoening.[2] In de wet wordt een onderscheid gemaakt tussen vermogensschade en ander nadeel dat niet bestaat uit vermogensschade. Degene die ander nadeel heeft ondervonden van een onrechtmatige daad kan op grond van art. 6:106 BW dat nadeel vergoed krijgen. Het slachtoffer kan aanspraak maken op het smartengeld als de wet daar recht op geeft. Het is volgens de wet mogelijk wanneer het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn goede naam is geschaad of op een andere wijze in zijn persoon is aangetast.[3] Lichamelijk letsel vormt de belangrijkste categorie in de praktijk. Men kan denken aan letsel door een mishandeling, arbeidsongeval, verkeersongeval. Het letsel is in ieder geval zichtbaar en in veel gevallen medisch objectiveerbaar.[4] De omvang van smartengeld De omvang van het smartengeld wordt niet vastgesteld door middel van een rekenkundig formule. Indien de rechter een rekenkundig formule aanhoudt om het smartengeld te berekenen, biedt dit te weinig ruimte om recht te doen aan individuele omstandigheden. In art. 6:106 BW is namelijk bepaald dat de omvang naar billijkheid moet worden vastgesteld. Hierbij is het van belang dat de rechter alle omstandigheden in overweging neemt. Denk aan de aard van het letsel, de intensiteit en de duur van het verdriet en de gederfde levensvreugde. Daarnaast is het ook van wezenlijk belang dat de rechter de persoonlijke omstandigheden in overweging neemt. De hoogte van het smartengeld U kunt zich voorstellen dat het bestaande niveau van smartengeld niet eenvoudig is vast te stellen met het oog op alle omstandigheden die worden meegewogen. Dit heeft te maken met de omstandigheden dat het smartengeld buiten rechte wordt vastgesteld, alsmede dat niet alle rechtspraak wordt gepubliceerd die betrekking hebben op het smartengeld. Bovendien zijn er vaak inconsistenties in toegewezen bedragen. [1] ‘Verschillen bij smartengeld’, NJB 2019/1653. [2] 11.2.1 [3] E.W. Bosch, ‘Begroot de strafrechter de hoogte van het smartengeld anders dan zijn civiele college?’ VR 2024/14, par. 1. [4] 7.2.1[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Bedrijfsmatige gebruiker en het gebrekscriterium

Bedrijfsmatige gebruiker en het gebrekscriterium In art. 6:173 BW, art. 6:174 BW en art. 6:179 BW wordt gesproken over de aansprakelijkheid van een eigenaar met betrekking tot zaken, opstallen en dieren. Voor deze bepalingen geldt een vuistregel die is benoemd in art. 6:181 BW. De vuistregel ziet op de aansprakelijkheid van degene die de zaken of dieren gebruikt in de uitoefening van een bedrijf. De aansprakelijkheid rust op de persoon die dit bedrijf uitoefent. De aansprakelijkheid verschuift dan van de feitelijke eigenaar/bezitter, naar degene die het bedrijf uitoefent. In art. 6:181 BW wordt het woord ‘gebruikt’ aangehaald. Hiermee wordt niet het begrip ‘gebruikt’ bedoelt zoals men dit gebruikt in alledaagse taalgebruik. Het gaat hier om de betekenis van het begrip ‘gebruikt’ dat men definieert aan de hand van zeggenschap. Zeggenschap houdt in dat degene die de meeste invloed heeft op het gevaar dat verbonden is aan de zaak of dieren, wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de schade.[1] Bij dieren gaat het vaak om een eigen gedraging, maar bij zaken en opstallen moet het gaan om een gebrek. De norm in art. 6:173 en art. 6:174 BW is het gebrekscriterium. Een zaak of een opstal is gebrekkig indien het niet voldoet aan de eisen die men aan een zaak of een opstal mag stellen. Het gaat vooral om eisen die men mag stellen aan de veiligheid van een roerende zaak of opstal. Het is daarbij van belang dat men de veiligheidsmaatregelen in acht neemt. Het gebrek hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de aard van de opstal, de fysieke toestand of de functie van de opstal.[2] Ten behoeve van de veiligheid is de bezitter van een zaak verplicht om de gebruiker te waarschuwen voor mogelijke risico’s, als hij of zij op de hoogte is van bepaalde veiligheidsrisico’s. Hierdoor kan de veiligheidsverwachting van een gebruiker veranderen en kan hij daarop anticiperen, zodat hij niet aansprakelijk wordt gesteld in de zin van art. 6:181 BW.[3] [1] A. Kolder, ‘Kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van art. 6:179 en 181 BW’, VR 2018/139, p. [2] T.E. van der Linden, ‘De invloed van bedrijfsmatig gebruik op het gebrekscriterium’, NTBR 2020/38, par. 2. [3] K.J.O.  Jansen, ‘Risico en informationele context’ AV&S 2012/5.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Advocaat tegenover de LSA-advocaat

Advocaat tegenover de LSA-advocaat Binnen de advocatuur is een belangrijk onderscheid te maken tussen een advocaat en een LSA-advocaat. Dit onderscheid karakteriseert zich door een aantal belangrijke verschillen. De advocatenIeder persoon die in Nederland werkzaam wil zijn als advocaat moet zich laten beëdigen door de rechtbank. Je bent namelijk pas een advocaat-stagiaire na de beëdiging. Vervolgens moet iedere advocaat verplicht de Beroepsopleiding Advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna te noemen: NOvA) volgen. De advocaat-stagiaires worden tijdens de NOvA opgeleid tot zelfstandige en deskundige advocaten. Na het afronden van de beroepsopleiding kan je jezelf onvoorwaardelijk advocaat noemen. Na afloop van de stageperiode is het belangrijk om de kennis up to date te houden. Dat gebeurt door een jaarlijkse bijscholing. Het recht is heel uitgebreid. Hierdoor specialiseren advocaten zich vaak tot een of meerdere rechtsgebieden. Zo zijn er advocaten die zich laten specialiseren in de letselschade. LSA-advocatenVoor de letselschadeadvocaten bestaat een vereniging, genaamd de LSA, waar advocaten aantoonbare ervaring hebben op het gebied van letselschade. Deze vereniging is echter alleen toegankelijk voor advocaten die de specialisatieopleiding hebben gevolgd, daaropvolgend een examen hebben afgelegd en veel letselschadezaken hebben behandeld. De LSA-advocaat is een echte specialist op het gebied van de afwikkeling van letselschade en dient daarom aan hoge kwaliteitseisen te voldoen. Een LSA-advocaat moet voldoen aan de volgende aantal eisen: Heeft de universitaire studie Rechten afgerond; Is minimaal 5 jaar werkzaam als advocaat; Heeft een examen afgelegd van de eenjarige Postdoctorale specialisatieopleiding Personenschade; Besteed aantoonbaar minimaal 500 uur per jaar aan letselschadezaken; Volgt bij- en nascholingscursussen op het gebied van letselschaderecht; Laat zich jaarlijks toetsen door het bestuur van de Vereniging door middel van een kwaliteitsverklaring; Neemt deel aan de door de Vereniging georganiseerde audits, die door onafhankelijke derden worden afgenomen; Woont de intervisiebijeenkomsten van de LSA bij. Als een advocaat voldoet aan de opleidingseisen, dan krijg hij of zij een LSA-keurmerk en mag je jezelf een LSA-advocaat noemen. De LSA-keurmerk is het hoogst haalbare keurmerk voor letselschadeadvocaten. Voordelen voor het slachtofferHet inzetten van een LSA-advocaat brengt voordelen met zich mee voor het slachtoffer. De LSA-advocaat heeft uiteraard een beroepsgeheim en is strikt onderworpen aan de klacht- en tuchtrecht van de LSA en de NOvA. Verder gelden strenge gedragsregels uit 2018 voor LSA-advocaten. Daarbij is het van belang dat de integriteit en de onafhankelijkheid worden gewaarborgd. Een uitgekeerd bedrag aan het slachtoffer kan niet worden gebruikt ten behoeve van de LSA-advocaat. Als slachtoffer heb je zekerheid dat de claim naar behoren wordt afgehandeld door en LSA-advocaten. Bent u een slachtoffer met letselschade, dan kunt u terecht bij mr. Sarikas. Zij is de LSA-advocaat van ons kantoor en staat u graag bij.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Shockschade: Taxibus vervangen door Hoogeveen

Hoogeveen-Arrest schokschade Inmiddels zijn we allemaal – denk ik – bekend met shockschade. “Shockschade is een vorm van psychische schade die op een bepaalde manier is ontstaan, te weten door het waarnemen van een ernstig schokkende gebeurtenis of directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.”[1] In het Taxibus-arrest heeft de Hoge Raad voorwaarden gegeven die duidelijkheid geven over de vraag wanneer naasten of nabestaanden aanspraak maken op de immateriële shockschade overeenkomstig art. 6:106 lid 1 sub b BW. De oude gezichtspunten van het Taxibus-arrest, waaronder de bepaling dat de naasten of nabestaanden direct met de ernstige gevolgen geconfronteerd moeten zijn, zijn voor het eerst vervangen in het Hoogeveen-arrest met de gezichtspuntencatalogus.[2] In het Hoogeveen-arrest is de benadeelde geconfronteerd met de ernstige gevolgen. Echter, de benadeelde wilde afscheid nemen van zijn kind en is om die reden de confrontatie aangegaan. De introductie van het Hoogeveen-arrest en de aankondiging van de nieuwe gezichtspuntencatalogus geeft de rechter de gelegenheid om in individuele gevallen een afweging te maken. Dit voorkomt dat de rechter gedwongen de gezichtspunten van het Taxibus-arrest moet langslopen.[3] Dit kan resulteren op meer kans op gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. Dit geeft naasten en nabestaanden eerder de mogelijkheid om een vergoeding tot shockschade te vorderen. Toch dient men uit te kijken, omdat de rechter het oordeel van de confrontatie langs de lijnen van art. 6:101 BW (eigen schuld) kan beoordelen. Hierdoor is het mogelijk dat het bedrag dat wordt bepaald door de vaststelling van eigen schuld in aftrek worden genomen bij de vergoeding van shockschade.[4] Dit lijkt in de praktijk – nog niet – op die manier te zijn beoordeeld door de rechter. Het is echter wel interessante kwestie om bij stil te staan. [1] Kamerstukken II 2004/2005, 28 781, nr. 8), p. 1. [2] HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958; ‘Shockschade: de Hoge Raad verzet de piketpaaltjes’, MvV 2022/10, p. 39 [3] ‘Shockschade: de Hoge Raad verzet de piketpaaltjes’, MvV 2022/10, p. 344. [4] E.W. Bosch en Mr. A.J. Korff, ‘S(c)hockschade 2.0.: het confrontatiegezichtspunt’, TVP 2022, p. 129.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]